Wereldervaringen

Kameroen, of de vogel die voorbij vloog

In januari 1997 vertrokken mijn partner en ik, na de Elfstedentocht en een afscheidsfeest in de Jaap Edenhal, met onze zes maanden oude baby voor drie jaar naar Kameroen. Mijn partner had een contract en ik kon mee als dependent. Het ging om een ruraal ontwikkelingsproject, minimaal vier uur rijden vanaf de dichtstbijzijnde asfaltweg, in een bosrijk gebied dat zich aan het ontwikkelen was tot tropisch regenwoud. Onze standplaats zou het jungle-stadje Mamfe zijn, dat in die tijd zo’n 15.000 inwoners had en drie uur rijden vanaf de Nigeriaanse grens was (als het regent is het langer rijden).

We landden op de luchthaven van Douala. Ik zette mijn eerste stappen op Afrikaanse bodem, in een land dat wel een expat community kende, maar geen internationaal toerisme. Het was daar qua faciliteiten niet op ingericht, waardoor ik Kameroen in zijn zuivere vorm leerde kennen. We werden opgevangen door de nieuwe collega’s van mijn partner, en overnachtten in het kuststadje Kribi. Twee dagen later reden we met de collega’s naar het hoofdkantoor van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers in de hoofdstad Yaoundé, terwijl Salif Keita, de ‘Golden Voice of Africa’, door de speakers schalde. Het was de perfecte soundtrack. De warmte, de palmbomen, de vriendelijke en behulpzame mensen, de muziek en dans – het deed allemaal zijn intrede in mijn systeem. Fascinerend en intrigerend, en een land dat veel schoner was dan ik had meegemaakt tijdens mijn reizen door Azië.

Na ons bezoek aan Yaoundé vertrokken we weer met de auto om via Douala naar Mamfe te rijden, waar we werden opgevangen door ontwikkelingswerker en landbouwspecialist Gerard, die al dertig jaar in Kameroen woonde.

Na een paar nachten in een hotel konden we ons nieuwe huis betrekken. Het was een matgeel huis, gelijkvloers met vier slaapkamers en twee badkamers (in één van de badkamers zouden op een van de dagen van ons verblijf babyslangen uit het putje komen, die door de huishoudster geroutineerd werden geëlimineerd). Door het hele huis lagen bruine plavuizen die lekker koel waren aan je voeten. We hadden ook personeel: een babysitter, een hulp in de huishouding en een nachtwaker, want er vonden ‘s nachts nog weleens woningovervallen plaats. Ik vond het ook een fijn idee dat de militaire garage tegenover ons huis was.

Eenmaal in het huis had ik tijd over. Ik had geen werk om handen, ons kind was makkelijk en lief en het huishouden werd gedaan door personeel. Met mijn zoon op mijn rug of buik wandelde ik dagelijks onder de hete zon naar het centrum van Mamfe. In de kroegjes leerde ik beetje bij beetje de inwoners van Mamfe kennen. Eén van de inwoners, James ‘The Butcher’ (hij was ook echt slager), nodigde me uit om mee te doen met een spelletje volleybal, wat een tweewekelijks ritueel werd.

De inwoners ontdekten ook steeds meer over mij en mijn achtergrond, en na een paar maanden vroegen ze of ik wilde helpen bij het opstarten van een ngo om bij te dragen aan de verbetering van de gezondheidszorg in de regio. Dat wilde ik wel, en in september richtten we de Manyu Health Organisation op. Het bestuur bestond, naast mij, uit zeven sociaal betrokken inwoners, onder wie de twintiger Assam en zijn vader Enow – twee mannen die graag een beetje provoceerden en met wie altijd veel te lachen viel – en de zachtaardige en zeer gelovige Jude, begin dertig en klein van stuk, en zijn moeder, rond de vijftig maar ogend alsof het leven haar drie eeuwen had gedragen.

Na negen maanden zat het regenseizoen, dat zo’n beetje van maart tot november loopt, er bijna op. De Harmattan (een noordoostenwind die vanuit de Sahara naar de Golf van Guinee waait) verdreef de broeierige tropische lucht, en in de nachten maakte de regen een oorverdovend geluid op het zinken dak van ons huis. Mijn zoon wandelde inmiddels zelf door het grote huis.

Mijn vaste route van ons huis naar het centrum voerde langs het gevangeniscomplex van Mamfe. Ik had eerder als verpleegkundige in de gevangenis van Almere gewerkt en in de gevangenis van  Kandahar tracing* gedaan, dus het gevangenisleven was me niet vreemd. Op een dag besloot ik er aan te kloppen en te vragen of we een onderzoek mochten doen naar de leefomstandigheden van de gedetineerden. We werden met open armen ontvangen en mochten beginnen met kwalitatieve onderzoeken, zoals focusgroepinterviews onder de gevangenen en het personeel. Daaruit bleek dat er inderdaad behoefte was aan verbeteringen: veel basisvoorzieningen ontbraken.

In overleg met het bestuur van de de Manyu Health Organisation schreef ik een plan met een begroting, waarmee ik omgerekend veertigduizend gulden lospeuterde bij de British High Commission. Samen met Assam reisde ik naar Yaoundé, waar we in gesprek gingen met de directeur van het gevangeniswezen in Kameroen – en nog eens twintigduizend gulden meekregen.

Bestuurslid Enow sloot het contract af met de lokale autoriteiten in Mamfe. Het is nooit bewezen, maar het vermoeden was dat hij daarbij wat in zijn zak stak – iets dat in Kameroen, dat destijds het meest corrupte land ter wereld was, een normale gang van zaken was.

Het gevangeniscomplex, dat omheind werd door bamboestokken, bestond uit meerdere gebouwen.

Links hoe het er van binnen uitzag, rechts zie je de emmer

In een van de grotere gebouwen zaten zeventig mannen opeengepakt, wachtend op hun rechtszaak. De houten toegangsdeur was afgesloten met een ketting en een hangslot. Ze deelden tachtig vierkante meter en sliepen op dunne matjes op de grond. De muren en vloer waren grauw, er was weinig daglicht en het rook er muf; binnen was het warmer dan buiten. In een van de wanden zat een kleine uitbouw, waar ze met een slang konden douchen en waar een gat was waar een emmer onder stond voor hun behoeftes. Als de emmer vol was, werd deze naar het veld achter het complex gebracht, omgekeerd en weer teruggezet. Veel van deze gedetineerden hadden oogklachten, schurft of diarree, en vaak een combinatie daarvan. Ze mochten het gebouw nooit zonder begeleiding verlaten: er was nauwelijks sprake van centrale registratie, dus wie ver genoeg wist te vluchten, was vrij.

Een ander groot gebouw herbergde veroordeelde gedetineerden. De deur van dit gebouw stond gewoon open, en binnen hadden deze gedetineerden meer bewegingsruimte en het was lichter, omdat er meer ramen waren. Ze mochten het terrein af om te werken, maar sliepen op van ouderdom vervormde metalen stapelbedden die minstens veertig jaar oud waren en geen lattenbodem hadden. De ontbrekende latten waren vervangen door touwen, met daarop een mat of soms een oud, vies matras.

Dan was er nog een klein gebouwtje: de vrouwenfaciliteit. Ook dat was al zeker veertig jaar niet onderhouden en zag van binnen zwart van het roet: de vrouwen kookten er, maar er was onvoldoende ventilatie. Toen ik er was, was er maar één vrouw gedetineerd, die overigens goed werd beschermd door de gevangenisbewaarders.

Voor de zestigduizend gulden (min het beetje dat in de zak van Enow was zoekgeraakt) die we bij elkaar hadden gesprokkeld, bouwden we ook vanaf de grond een nieuwe vrouwenfaciliteit, die groter was dan het oude gebouwtje. Een ander gebouw, dat niet meer werd gebruikt omdat het dak was weggewaaid, renoveerden we volledig tot een leefbare grote ruimte. We bouwden pit latrines*, lieten bedden met lattenbodems en matrassen leveren en zetten een voedingsprogramma op. Daardoor kregen de gedetineerden meer ruimte, meer en gezonder eten, en twee hygiënische toiletten in plaats van één vieze emmer.

De bouwwerkzaamheden werden op ons verzoek door de gedetineerden uitgevoerd, die er een bescheiden loon voor kregen. Het was een vorm van self-empowerment die me deed denken aan het ICRC Orthopaedic Centre in Kabul – hoe mensen er samen voor kunnen zorgen dat niet alleen zijzelf, maar ook de mensen ná hen het beter krijgen.

Binnen het gezin hadden we onze draai ondertussen goed gevonden. We werden wakker als de zon opkwam, de haan begon te kraaien en de stappen van de nachtwacht op het pad wegstierven. Dan duurde het niet lang vóór de babysit en hulp in de huishouding zich meldden, en de dag echt begon. Mijn vrouw vertrok naar haar werk, en ik ging op pad met mijn zoon op mijn rug. Vaak at ik mijn ontbijt onderweg: simpele gerechtjes zoals rijst met bonen of puff puff (gefrituurde deegballetjes met peper) in een van de eettentjes aan de straat. Ons avondeten werd gekookt door de hulp in de huishouding, die traditionele gerechten maakte als fufu (een deegachtige bal waar je stukjes vanaf knijpt) met soep van eru (een groente uit de streek), ndolé (het nationale gerecht van Kameroen met als hoofdingrediënt bitterblad), koki (een soort hartige cake van oogbonen) of pepper soup (vleesbouillon met stukjes geitenvlees, die je eet met bakbananen). Na het eten bleef mijn zoon thuis bij mijn partner, en ging ik vaak nog even volleyballen. ‘s Nachts vielen we in slaap met het geluid van de vele krekels en cicaden.

Na vier maanden waren de renovaties voltooid. Dat werd ceremonieel gevierd op de binnenplaats van de gevangenis, samen met onder meer de gedetineerden, bewaarders, gevangenisbestuurders, lokale hoogwaardigheidsbekleders en de traditionele leiders van Mamfe.

Kort daarop overleed Jude. Tijdens de werkzaamheden had hij verzwegen dat hij ziek was en er een einde aan zijn leven zou komen – hij wilde deze missie voor menselijkheid volbrengen voordat hij ons verliet.

In het dorp waar hij begraven werd mochten wij zijn death celebration bijwonen.
In Kameroen is het gebruikelijk dat je navelstreng kort na je geboorte vlak buiten je ouderlijk huis wordt begraven. Als je overlijdt, wordt je lichaam teruggebracht naar je geboortegrond, waar je wordt begraven bij je navelstreng. Zo wordt de cirkel van leven en dood gesloten. Jude werd dan ook teruggebracht naar zijn geboortedorp, waar hij werd opgebaard in een huis van klei en rieten matten. Terwijl muziek uit de luidsprekers schalde, liepen de aanwezigen langs de baar. Vrouwen lieten zich jammerend op de grond vallen, waarna andere vrouwen zich direct om hen heen verzamelden. Een gebruik dat in Kameroen symbool staat voor gedeeld verdriet: rouw wordt er door de gemeenschap gedragen. Er werd door iedereen gelachen, gehuild en gedanst, terwijl de alcohol rijkelijk vloeide.

De volgende fase brak aan. De Manyu Health Organisation ging een nauwere samenwerking aan met de Stichting Nederlandse Vrijwilligers, die ook waren ingezet voor het Mamfe Rural Development Project waar mijn partner als genderspecialist werkte. Een jaar lang deden we onderzoek naar de gezondheidszorg in Manyu Division, grotendeels te voet, door data te verzamelen in de dorpen. Op basis van de conclusies werden de jaren daarna zes Community Health Centers gebouwd of gerehabiliteerd, werden Village Health Committees opgezet en getraind volgens de richtlijnen van de World Health Organization, en werd een begin gemaakt met Primary Health Care‑programma’s. Ik ben trots op wat wij daar als team hebben bereikt.

Assam en zijn vader Enow kwamen uit Fumbe, waar ook een Community Health Center was opgezet. Op een middag vertelden ze me dat ik, als blijk van waardering voor mijn inzet, was uitgenodigd voor een Ekpe‑initiatie.

De Ekpe (wat ‘luipaard’ betekent) Society is een eeuwenoud, invloedrijk West‑Afrikaans genootschap dat vooral voorkomt in Zuidoost‑Nigeria en Zuidwest‑Kameroen, waar het een centrale rol speeld in bestuur, rechtspraak en rituelen. Het is nauw verbonden met de Ejagham‑volken – waaronder de gemeenschappen rond Mamfe – en staat bekend om de hiërarchische structuur, het maskerdansen en het gebruik van het Nsibidi-schrift.

Alleen mannen kunnen lid worden van het genootschap, dat doorgaans zeven tot negen rangen kent. De hoogste rang is die van de Amama; daarnaast bestaat de ceremoniële eretitel Sesekou, die aan vooraanstaande leden wordt toegekend. De leden zijn verweven met de toplaag van veel gemeenschappen en treden op bij belangrijke ceremoniële gebeurtenissen. Een andere titel is die van Tata, die wordt gebruikt als een titel van respect voor bijvoorbeeld hooggeplaatste ouderen of leiders die de tradities bewaken.

Een paar dagen later kreeg ik een handgemaakt hoofddeksel, een witte blouse en een pagne (lendendoek) overhandigd. Weer een paar dagen later vertrokken we met een Toyota Hilux van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers, die volgeladen was met minstens tien man, dertig opgestapelde stoelen en de nodige kratten bier, uit Mamfe. We staken de rivier over, en na een stuk over de smalle junglepaden te hebben afgelegd reden we stapvoets het dorp Fumbe binnen, waar we al dansend werden toegezongen door dorpelingen in ceremoniële kleding en kinderen om de auto heen renden.

Tijdens de dagen in het dorp vloeide de palmwijn rijkelijk. De nachten bracht ik door met de Ekpe‑leden, in de bush bij het vuur, waar verhalen en geheimen werden gedeeld.

Uiteindelijk kreeg ik de titel Tata, met de naam Osari Na Di Bo, wat zoveel betekent als ‘hij die langskwam’ of ‘de vogel die voorbij vloog’.

–

Kameroen blijft mijn tweede thuisland. Twee van mijn kinderen zijn er geboren en alledrie hebben ze hun eerste levensjaren daar doorgebracht. Pijnlijk is dat de oorlog in West‑Kameroen (de Anglophone Crisis) inmiddels bijna negen jaar woedt. Wat begon als vreedzaam protest escaleerde in de herfst van 2017 tot een gewapend conflict, nadat separatisten op 1 oktober van dat jaar de onafhankelijkheid van de Engelstalige regio’s uitriepen. Ondanks alles zijn een paar gezinsleden de afgelopen jaren nog wel naar Kameroen gereisd. Ik hoop zelf binnen afzienbare tijd ook weer te gaan – het is alweer twintig jaar geleden.

 

*) Tracing is het opsporen van vermiste personen en het herstellen van familiecontacten in conflictsituaties, rampen of migratie. Lees hier meer over mijn tijd in Afghanistan.
**) Een sanitatiesysteem met een gat van 3 tot 10 meter diep waar ontlasting in wordt opgevangen, dat vervolgens in de omringende grond sijpelt en afbreekt.

Nog geen reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *